Mensen met autisme kunnen meer uitdagingen ervaren. Op het gebied van sociale interactie, communicatie, flexibiliteit in denken en handelen, en het filteren en integreren van informatie. De meeste mensen met autisme hebben een normale tot hoge intelligentie. Autisme is een spectrumstoornis. Hiermee wordt bedoeld dat autisme zich in veel verschillende vormen kan uiten.

Autisme heeft een grote invloed op iemands leven. Onder andere doordat informatie op een andere manier wordt verwerkt in de hersenen. Daarbij gaat het ook om informatie die binnenkomt via de zintuigen; vaak is er sprake van sensorische over- of ondergevoeligheid.

Er zijn ook sterke punten die vaak in verband worden gebracht met autisme. Bijvoorbeeld: oog voor detail, analytisch denken, eerlijkheid, loyaliteit en technisch inzicht. Op sociaal gebied ondervinden veel mensen met autisme regelmatig problemen. Hun ‘sociale intuïtie’ lijkt niet goed ontwikkeld.

Met name tijdens overgangsperioden hebben mensen met autisme een relatief grote kans om vast te lopen. Zeker als zij niet tijdig de juiste begeleiding krijgen. Voorbeelden zijn de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs, of van onderwijs naar stage of werk.

Op het gebied van wonen, studeren, werken en vrijetijdsbesteding hebben kunnen mensen met autisme moeite hebben om hun leven zelfstandig te organiseren. Zo ervaren zij bijvoorbeeld moeite om het huishouden bij te houden of om zelfstandig te plannen en organiseren. Ook kunnen zij het overzicht over taken kwijtraken. En hebben ze moeite met het aanbrengen van afwisseling in de vrije tijd.

Richtlijnen voor een app

Mensen met een autismespectrumstoornis (ASS) ervaren vaker stress. Het kost ze meer moeite om stress te herkennen en te verminderen. Dit heeft grote invloed op hun dagelijks functioneren. Daarom is het belangrijk voor hen om stress tijdig te herkennen. De stress-app SAM (Stress Autisme Mate) helpt deze groep mensen om stress makkelijker te herkennen en er beter mee om te gaan.

Download de poster

Er is een poster met tips bij ontwerpen voor gebruikers met autisme. Klik op de afbeelding om de poster te bekijken:

Link naar poster 'Ontwerpen voor gebruikers met autismespectrumstoornis' als download.

Vaardigheden

Visuele perceptie

  • Zorg ervoor dat het scherm een rustige uitstraling heeft.
  • Gebruik een groot contrast tussen voorgrond en achtergrond, om het gemakkelijker te maken elementen te onderscheiden.
  • Gebruik visuele middelen om belangrijke elementen te benadrukken.
  • Plaats elementen die bij elkaar horen dicht bij elkaar.

Aanraders

  • Gebruik een groot font voor de tekst.
  • Maak knoppen duidelijk herken­baar. Bij­voor­beeld door het contrast met de achtergrond te vergroten of schaduw te gebruiken.
  • Als een knop is geactiveerd, dan moet dit duidelijk visueel worden weer­gegeven.
  • Plaats tekst dicht bij de bijbehorende knop en vragen dicht bij de ant­woorden.
  • Plaatjes moeten een duidelijke lijnvoering en contrast hebben.
  • Plaats plaatjes altijd op dezelf­de locatie, zodat ze gemak­kelijk terug te vinden zijn (position recall).
  • Gebruik schaduw en kleurnuances om dunne of platte objecten weer te geven.

Auditief begrip

Aanraders

  • Voor sommige gebruikers is het lastig om de betekenis van geluidssignalen te ont­houden. Gebruik daarom korte gesproken boodschappen.
  • Spraak is geschikt om persoonlijk contact met de gebruiker te krijgen. Als het mogelijk is, spreek de gebruiker dan direct aan (gebruik de naam van de gebruiker).
  • Bied de mogelijk­heid aan om met een menselijke helpdesk in contact te komen, bij­voor­beeld telefonisch.
  • Gebruik korte, maar volledige zinnen in gesproken berichten. Verwijs niet naar abstracte concepten.

Afraders

  • Beperk het aantal opties dat wordt voor­gelezen in een spraakinterface. Geef de gebruiker de mogelijk­heid om tussentijds al een keuze te maken of om opties als voor­keuren aan te merken.

Taalvaardigheid

  • Structureer informatie in kleine brokken. Hoe meer gestructureerd een document is, hoe beter het is te begrijpen. Voeg ook een visuele structuur toe aan het document.
  • Gebruik eenvoudige taal.
  • Gebruik iconen of een animatie bij tekst. Ze moeten concreet zijn en laten zien hoe je iets moet doen.
  • De zoekfunctie moet een centrale plaats in het systeem hebben.

Aanraders

  • Gebruik paragrafen om de structuur van de tekst duidelijk te maken.
  • Gebruik kopjes die het onderwerp van de paragraaf weergeven.
  • Tabellen kunnen helpen om tekst kort samen te vatten. Dit kan beter te begrijpen zijn dan volledige paragrafen.
  • Maak het heel duidelijk dat de gebruiker bepaalde functionaliteiten kan gebruiken en maak duidelijk wat ze betekenen.
  • Wees consistent in het ont­werp en locatie op het scherm van informatie, instructies en knoppen.
  • Maak het een­voudiger voor gebruikers om content te zien en te horen. Bij­voor­beeld door voor­grond en achtergrond goed van elkaar te ondersc­heiden.
  • Orden resultaten zo dat de meest gewenste keuzes bovenaan staan.
  • Hyperlinks moeten consistent worden gepresenteerd.
  • Sla ant­woorden van gebruikers op vragen op.
  • Gebruik korte, maar volledige zinnen in gesproken berichten. Verwijs niet naar abstracte concepten.
  • Geef een gebruiker de mogelijk­heid om in een gesproken tekst (gedicteerd) fouten te herstellen. Door woorden opnieuw te dicteren. Door een keuze te maken uit een lijst van mogelijke correcte woorden. Of door diens eigen stem op te nemen.
  • Bied de mogelijk­heid aan om verschillende talen te kiezen, of de tekst te vertalen.

Afraders

  • Vermijd de noodzaak om te scrollen.
  • Vermijd lange opsommingen. Gebruik bullets, streepjes of nummers voor korte opsommingen.
  • Hyperlinks middenin een tekst kunnen verwarrend zijn. Overweeg om ze als een lijstje aan het eind van de tekst op te nemen.

Creativiteit (ideevorming)

  • Het systeem moet de gebruiker stimuleren om het scherm (interface) te verkennen en vertrouwd te raken met de mogelijkheden.
  • Geef notificaties aan gebruikers over binnenkomende boodschappen: aankondigingen, alarmen, feedback over gebruikersacties, status van een proces en foutmeldingen. Deze moeten op natuurlijke wijze de aandacht trekken, zonder dat de gebruiker dit heeft hoeven aanleren.
  • Maak duidelijk welke acties een gebruiker kan nemen, waarom de actie belangrijk is en wie erbij kan helpen.
  • Probeer fouten te vermijden. Zorg ervoor dat incorrecte invoer onmogelijk wordt gemaakt. Komen fouten toch voor? Dan moet het systeem begeleiding en hulp geven. Leg de fout uit en begeleid de gebruiker bij wat vervolgens te doen.
  • Schrijf eenvoudige en duidelijke foutboodschappen. Toon duidelijk het onderdeel van het systeem waar de fout aan gerelateerd is.

Aanraders

  • Is een boodschap urgent of is er directe actie nodig? Dan moet het systeem de aandacht trekken van de gebruiker, bij­voor­beeld door visuele effecten (flikkeren) of geluidssignalen.
  • Gebruik bij een complexe boodschap een tekstveld. Overweeg om die automatisch voor te laten lezen (spraaksynthese).
  • Maak het heel vanzelf­sprekend dat gebruikersinput wordt verwacht. Bij­voor­beeld door animaties, knipperen, ont­werp van knoppen en invoervelden.

Privacy

  • Moeten gebruikers ergens toestemming voor geven? Leg dan duidelijk uit wat de opties zijn. Zorg ervoor dat elke privacy-stelling op zichzelf te lezen en begrijpen is (geen verwijzing naar andere stellingen).
  • Wordt er spraak gebruikt voor invoer of uitvoer? Dan mag het niet mogelijk zijn dat andere personen kunnen meeluisteren (gebruik koptelefoon).
  • Het systeem moet vertrouwen wekken en veilig zijn.

Aanraders

  • Laat op een bevestigingspagina altijd zien welke opties gebruikers hebben geselecteerd. Bied de mogelijk­heid om hier nog dingen aan te veranderen of te annuleren.

Afraders

  • Spraak is geschikt voor persoonlijk contact, maar gebruik het niet voor persoonlijke informatie.

Tips

Omgaan met deelnemers

Bij ontwerpen voor inclusie betrek je vertegenwoordigers van de doelgroep, samen met andere stakeholders. Zowel bij het ontwerpen als bij het (tussentijds) evalueren. De omgang met deelnemers is daarbij van groot belang. Dat uit zich in het proces en de setting, je houding en gedrag en de gebruikte gesprekstechnieken.

Proces en setting

  • Houd rekening met de context van het onderzoek, zoals plaats, tijd van de dag en de aanwezige personen.
  • Zorg voor een open en uitnodigende sfeer, waarbij deelnemers zich op hun gemak voelen.
  • Plan tijd in voor een korte kennismaking. Kies hiervoor een geschikte vorm.
  • Denk indien van toepassing na over de opstelling. Houd bijvoorbeeld bij een interview een 90-graden-opstelling aan ten opzichte van de deelnemer. En plaats deelnemers bij een focusgroep in een cirkel waar je zelf deel van uitmaakt.
  • Zorg voor een drankje en wat lekkers.
  • Maak duidelijk wat de rol van de aanwezige onderzoekers is. Benoem of de onderzoeker actief is (bijvoorbeeld als interviewer of facilitator), of passief deelneemt (bijvoorbeeld als observator of notulist). Zorg ervoor dat ieder in zijn rol blijft.
  • Informeer deelnemers over hoe de resultaten worden vastgelegd (notities, beeld- en geluidsopnamen). Houd er rekening mee dat deelnemers bezorgd kunnen zijn over de verspreiding van resultaten. Benadruk dat je zorgvuldig met de gegevens omgaat.
  • Bedank deelnemers voor hun inzet en zorg eventueel voor een attentie of beloning.
  • Zet duidelijke doelen. Wees realistisch over wat haalbaar is binnen de tijd die je beschikbaar hebt.
  • Benadruk in de instructies dat het niet gaat om het testen van de deelnemers, maar om het verkrijgen van hun reacties, ideeën en meningen.

Houding en gedrag

  • Straal oprechte belangstelling uit.
  • Let op je spraak (volume, tempo, ritme, articulatie, toon), je houding, gebaren en kijkrichting, en je taalgebruik. Vermijd abstracte taal, stopwoordjes en jargon.
  • Zorg bij een bijeenkomst met meerdere deelnemers dat iedereen aan bod komt.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaars bijdragen (ervaringen, meningen en ideeën) te respecteren. En doe het zelf ook.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaar niet te onderbreken. En doe het zelf ook niet.
  • Het is niet erg om stiltes te laten vallen. Probeer in plaats van zelf de stilte op te vullen af te wachten waar deelnemers mee komen.

Gesprekstechnieken

Stijl

  • Stel korte en duidelijke vragen. Stel 1 vraag tegelijk.
  • Kies bewust voor het stellen van open of gesloten vragen. Bij gesloten vragen zijn de antwoordmogelijkheden vooraf gegeven, vooral bij ja/nee-vragen of multiple choice-vragen. Bij open vragen zijn alle antwoorden mogelijk. Bij gesloten vragen kun je sneller antwoord krijgen. Ook geven ze de deelnemers houvast, maar ze bieden weinig ruimte voor eigen inbreng. Open vragen kunnen veel tijd vergen. Ze bieden de deelnemers weinig houvast, maar ze bieden wél de mogelijkheid voor eigen inbreng.
  • Vraag “waarom?” om meer betekenisvolle resultaten te verkrijgen en de onderliggende bedoelingen te achterhalen.

Dubbelzinnige en suggestieve vragen

  • Vermijd vragen die meer betekenissen kunnen hebben. Je kunt deze dubbelzinnigheid wel bewust inzetten om te peilen hoe deelnemers spontaan een begrip of een beeld interpreteren.
  • Vermijd het stellen van suggestieve vragen, of het maken van suggestieve opmerkingen die deelnemers in een bepaalde richting duwen. Vermijd bijvoorbeeld om een oordeel te geven, of om bepaalde antwoordmogelijkheden uit te sluiten.

Evalueren van gegeven antwoorden

  • Houd het gesprek bij het juiste onderwerp, voorkom afdwalen.
  • Heb je alle informatie?
  • Is het relevant voor je onderzoeksdoel?
  • Begrijp je de bijdrage?
  • Past de bijdrage bij de gestelde vraag?

Technieken voor verduidelijking van antwoorden

  • Herhaal de vraag, of stel de vraag nogmaals op een andere manier. Gebruik bijvoorbeeld andere bewoordingen of ga van een open vraag over naar een gesloten vraag.
  • Vat het antwoord van de deelnemer samen om te checken of je het goed begrepen hebt.
  • Laat een stilte vallen om de deelnemer aan te zetten tot het geven van aanvullende informatie.

Maken van notities

Notities zijn vaak een aanvulling op andere vormen van vastleggen van informatie. Bedenk vooraf wat je wilt vastleggen. En hoe. Bedenk of je een notitiestructuur wilt hanteren of dat je dit open wilt laten. Geef iemand specifiek de rol van notulist, zeker als er meerdere deelnemers zijn.

Structureren van notities

  • Algemene aspecten: de setting, de sfeer, verloop, houding van deelnemers.
  • Chronologisch.
  • Per deelnemer.
  • Per categorie (benoem alvast specifieke aspecten waar je op wilt letten: topic list), denk bijvoorbeeld aan observaties of uitspraken van de deelnemers over:
    • acties en handelingen (zoals informatie, communicatie, mobiliteit, algemene dagelijkse levensverrichtingen, werk, vrije tijd);
    • de omgeving (zoals binnen, buiten, thuis, werk);
    • relevante objecten (zoals technologie, gebruiksvoorwerpen);
    • zichzelf en anderen (zoals behoeften, waarden, rollen, relaties).

Aandachtspunten

  • Ga uit van je onderzoeksdoel.
  • Laat je niet leiden door je verwachtingen, maar sta open voor wat er gebeurt.
  • Algemene aspecten kunnen van belang zijn voor de interpretatie van wat er gebeurt.
  • Let op verbale en non-verbale uitingen en handelingen van deelnemers.
  • Bedenk of je gebeurtenissen wilt turven of alleen wilt aangeven of een gebeurtenis optreedt.
  • Maak notities van opvallende uitspraken van deelnemers (quotes).
  • Geef je indruk van het waarom van bepaalde uitingen of handelingen.
  • Realiseer je dat notities subjectief zijn. Check ze met andere onderzoekers, of laat meerdere onderzoekers notities maken.

Evalueren met deelnemers en projectteam

Denk aan vragen voor de deelnemers én aan vragen voor het projectteam.

Evaluatievragen deelnemers

Het is belangrijk om deelnemers de mogelijkheid te geven hun ervaringen over deelname te delen. Dit geeft inzicht in wat goed ging en als prettig werd ervaren. Of wat de volgende keer anders of beter zou kunnen. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

  • Hoe vond je het om mee te doen?
  • Wat was goed/prettig?
  • Wat zou anders/beter kunnen?

Vraag hierbij door over de lengte/duur, mentale en/of fysieke inspanning, de vorm, de inhoud, en de locatie en setting van het onderzoek.

Evaluatievragen projectteam

Sta stil bij positieve en negatieve ervaringen met het toepassen van de methode en het werken met de doelgroep. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

Inhoud

  • Was de methode geschikt voor het doel dat je wilde bereiken? Waarom wel/niet?
  • Heeft het onderzoek de verwachte resultaten opgeleverd? Waarom wel/niet?

Doelgroep

  • Was de methode geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Was het duidelijk voor de doelgroep wat er van hen werd verwacht? Waarom wel/niet?
  • Was de duur van het onderzoek acceptabel voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sloot de gevraagde mentale en/of fysieke inspanning aan bij de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sprak de vorm van het onderzoek de doelgroep aan? Waarom wel/niet?
  • Was de setting (bij mensen thuis, via internet, op locatie etc.) waarin het onderzoek plaatsvond geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?

Proces

  • Was de methode geschikt voor de fase van je project? Waarom wel/niet?
  • Verliep het uitvoeren van de methode procesmatig goed? Waarom wel/niet?
  • Waren er activiteiten die onverwachts meer of minder tijd kostten dan verwacht? Waarom?

Algemeen

  • Stond de inspanning voor het uitvoeren in verhouding tot de verkregen resultaten? Waarom wel/niet?
  • Wat zou je volgende keer anders/beter doen?