Personen met een eerste generatie migratie-achtergrond zijn mensen die in het buitenland geboren zijn, met minstens 1 in het buitenland geboren ouder. Dit kunnen mensen zijn die al lange tijd in Nederland wonen, zoals de voormalige ‘gastarbeiders’. Maar hieronder vallen ook de recente vluchtelingen, asielzoekers en statushouders.

Voor iedereen geldt dat ze zich de Nederlandse taal en cultuur eigen hebben moeten maken om volwaardig te kunnen meedoen in de Nederlandse samenleving.

Vooral laagopgeleide personen binnen deze groep beheersen vaak onvoldoende de Nederlandse taal en andere basisvaardigheden (rekenen en digitale vaardigheden). Waardoor ze niet goed kunnen functioneren in het dagelijks leven, op school of op de werkplek. In dat opzicht komen zij overeen met laaggeletterde autochtone Nederlanders.

 

Vaardigheden

Taalvaardigheid

  • Structureer informatie in kleine brokken. Hoe meer gestructureerd een document is, hoe beter het is te begrijpen. Voeg ook een visuele structuur toe aan het document.
  • Gebruik eenvoudige taal.
  • Gebruik iconen of een animatie bij tekst. Ze moeten concreet zijn en laten zien hoe je iets moet doen.
  • De zoekfunctie moet een centrale plaats in het systeem hebben.

Aanraders

  • Gebruik paragrafen om de structuur van de tekst duidelijk te maken.
  • Gebruik kopjes die het onderwerp van de paragraaf weergeven.
  • Tabellen kunnen helpen om tekst kort samen te vatten. Dit kan beter te begrijpen zijn dan volledige paragrafen.
  • Maak het heel duidelijk dat de gebruiker bepaalde functionaliteiten kan gebruiken en maak duidelijk wat ze betekenen.
  • Wees consistent in het ont­werp en locatie op het scherm van informatie, instructies en knoppen.
  • Maak het een­voudiger voor gebruikers om content te zien en te horen. Bij­voor­beeld door voor­grond en achtergrond goed van elkaar te ondersc­heiden.
  • Orden resultaten zo dat de meest gewenste keuzes bovenaan staan.
  • Hyperlinks moeten consistent worden gepresenteerd.
  • Sla ant­woorden van gebruikers op vragen op.
  • Gebruik korte, maar volledige zinnen in gesproken berichten. Verwijs niet naar abstracte concepten.
  • Geef een gebruiker de mogelijk­heid om in een gesproken tekst (gedicteerd) fouten te herstellen. Door woorden opnieuw te dicteren. Door een keuze te maken uit een lijst van mogelijke correcte woorden. Of door diens eigen stem op te nemen.
  • Bied de mogelijk­heid aan om verschillende talen te kiezen, of de tekst te vertalen.

Afraders

  • Vermijd de noodzaak om te scrollen.
  • Vermijd lange opsommingen. Gebruik bullets, streepjes of nummers voor korte opsommingen.
  • Hyperlinks middenin een tekst kunnen verwarrend zijn. Overweeg om ze als een lijstje aan het eind van de tekst op te nemen.

Auditief begrip

Aanraders

  • Voor sommige gebruikers is het lastig om de betekenis van geluidssignalen te ont­houden. Gebruik daarom korte gesproken boodschappen.
  • Spraak is geschikt om persoonlijk contact met de gebruiker te krijgen. Als het mogelijk is, spreek de gebruiker dan direct aan (gebruik de naam van de gebruiker).
  • Bied de mogelijk­heid aan om met een menselijke helpdesk in contact te komen, bij­voor­beeld telefonisch.
  • Gebruik korte, maar volledige zinnen in gesproken berichten. Verwijs niet naar abstracte concepten.

Afraders

  • Beperk het aantal opties dat wordt voor­gelezen in een spraakinterface. Geef de gebruiker de mogelijk­heid om tussentijds al een keuze te maken of om opties als voor­keuren aan te merken.

Psychosociaal

  • Het systeem moet vertrouwen wekken: bied hulp aan en zorg voor privacy.
  • Help gebruikers om fouten te voorkomen en corrigeren.
  • Zorg ervoor dat de inhoud relevant, begrijpelijk en vertrouwenwekkend is. En dat de inhoud in een handige en aantrekkelijke vorm is gepresenteerd.
  • Gebruikers kunnen zich gedwongen voelen om informatie te verstrekken, omdat ze anders niet de dienst krijgen die ze nodig hebben. Houd daar rekening mee.

Aanraders

  • Bied de mogelijk­heid aan om met een menselijke helpdesk in contact te komen, bij­voor­beeld telefonisch.
  • Geef de gebruiker voldoende tijd om tekst in te voeren en te corrigeren.
  • Betrek eindgebruikers bij het samenstellen van de inhoud.
  • Realiseer je dat gebruikers emotionele redenen kunnen hebben om een dienst te gebruiken.
  • Verplaats je in het perspectief van de gebruiker, ga niet uit van interne organisatie- en procesfactoren.

Afraders

  • Vermijd een indicatie van voor­tgang of een time-out; dit geeft te veel druk voor de gebruiker.
  • Vermijd neerbuigende of kinderachtige taal.
  • Vraag niet onnodig om persoonlijke informatie.
  • Vermijd dat gebruikers zich onpersoonlijk behandeld voelen (als een nummer).
  • Het systeem mag gebruikers niet stigmatiseren.

Tips

Ontwerpen voor inclusie met (laagopgeleide) immigranten

Wees je bewust van de grote diversiteit binnen de doelgroep. En de invloed die dit kan hebben op je resultaten en de openheid van deelnemers. Denk bijvoorbeeld aan verschil van geslacht, leeftijd, cultuur, opleidingsniveau, taal en achtergrond. Baken de doelgroep afhankelijk van je onderzoeksdoel af.

Werving

Overweeg eventueel meerdere parallelsessies. Een ingang om contact te leggen met immigranten zijn (lokale) belangenorganisaties, of scholen die inburgeringscursussen of taalles voor volwassenen aanbieden. Via-via werven kan ook goed werken: vraag mensen of al aangemelde deelnemers, of ze nog anderen kennen die ook aan de criteria voldoen.

Beloning

Belonen werkt motiverend. Zorg bijvoorbeeld voor een vergoeding in de vorm van geld, een tegoedbon, of cursus. Maak afspraken over wanneer de deelnemers de vergoeding ontvangen (afronden activiteit, aanwezigheid etc.). Vergoed ook reiskosten die deelnemers maken om mee te kunnen doen aan je onderzoek.

Facilitator

De keuze voor een bepaalde facilitator en de voertaal van het onderzoek kan invloed hebben op de openheid en inbreng van deelnemers. Zo kan het zijn dat een groep vrouwen minder geneigd is alles te delen wanneer ze te maken hebben met een mannelijke facilitator en vice versa.

Uitvoermethode

Houd onderzoekssessies interactief en informeel, om te vermijden dat de deelnemers het gevoel hebben getest te worden. Benadruk dat het niet gaat om het testen van de deelnemers, maar om het verkrijgen van hun reacties, ideeën en meningen. En dat deze zeer waardevol zijn bij het ontwerpen of verbeteren van je product of dienst. Vermijd de valkuil dat deelnemers met persoonlijke problemen komen die niet in het kader van het onderzoek opgelost kunnen worden.

Analyse

Kijk verder dan het (feitelijke) verhaal aan de oppervlak om te zien wat het achterliggende doel, of de behoefte van de deelnemer in een situatie is. Wees je daarnaast bewust van culturele verschillen bij het interpreteren van de resultaten.

Maken van notities

Notities zijn vaak een aanvulling op andere vormen van vastleggen van informatie. Bedenk vooraf wat je wilt vastleggen. En hoe. Bedenk of je een notitiestructuur wilt hanteren of dat je dit open wilt laten. Geef iemand specifiek de rol van notulist, zeker als er meerdere deelnemers zijn.

Structureren van notities

  • Algemene aspecten: de setting, de sfeer, verloop, houding van deelnemers.
  • Chronologisch.
  • Per deelnemer.
  • Per categorie (benoem alvast specifieke aspecten waar je op wilt letten: topic list), denk bijvoorbeeld aan observaties of uitspraken van de deelnemers over:
    • acties en handelingen (zoals informatie, communicatie, mobiliteit, algemene dagelijkse levensverrichtingen, werk, vrije tijd);
    • de omgeving (zoals binnen, buiten, thuis, werk);
    • relevante objecten (zoals technologie, gebruiksvoorwerpen);
    • zichzelf en anderen (zoals behoeften, waarden, rollen, relaties).

Aandachtspunten

  • Ga uit van je onderzoeksdoel.
  • Laat je niet leiden door je verwachtingen, maar sta open voor wat er gebeurt.
  • Algemene aspecten kunnen van belang zijn voor de interpretatie van wat er gebeurt.
  • Let op verbale en non-verbale uitingen en handelingen van deelnemers.
  • Bedenk of je gebeurtenissen wilt turven of alleen wilt aangeven of een gebeurtenis optreedt.
  • Maak notities van opvallende uitspraken van deelnemers (quotes).
  • Geef je indruk van het waarom van bepaalde uitingen of handelingen.
  • Realiseer je dat notities subjectief zijn. Check ze met andere onderzoekers, of laat meerdere onderzoekers notities maken.

Omgaan met deelnemers

Bij ontwerpen voor inclusie betrek je vertegenwoordigers van de doelgroep, samen met andere stakeholders. Zowel bij het ontwerpen als bij het (tussentijds) evalueren. De omgang met deelnemers is daarbij van groot belang. Dat uit zich in het proces en de setting, je houding en gedrag en de gebruikte gesprekstechnieken.

Proces en setting

  • Houd rekening met de context van het onderzoek, zoals plaats, tijd van de dag en de aanwezige personen.
  • Zorg voor een open en uitnodigende sfeer, waarbij deelnemers zich op hun gemak voelen.
  • Plan tijd in voor een korte kennismaking. Kies hiervoor een geschikte vorm.
  • Denk indien van toepassing na over de opstelling. Houd bijvoorbeeld bij een interview een 90-graden-opstelling aan ten opzichte van de deelnemer. En plaats deelnemers bij een focusgroep in een cirkel waar je zelf deel van uitmaakt.
  • Zorg voor een drankje en wat lekkers.
  • Maak duidelijk wat de rol van de aanwezige onderzoekers is. Benoem of de onderzoeker actief is (bijvoorbeeld als interviewer of facilitator), of passief deelneemt (bijvoorbeeld als observator of notulist). Zorg ervoor dat ieder in zijn rol blijft.
  • Informeer deelnemers over hoe de resultaten worden vastgelegd (notities, beeld- en geluidsopnamen). Houd er rekening mee dat deelnemers bezorgd kunnen zijn over de verspreiding van resultaten. Benadruk dat je zorgvuldig met de gegevens omgaat.
  • Bedank deelnemers voor hun inzet en zorg eventueel voor een attentie of beloning.
  • Zet duidelijke doelen. Wees realistisch over wat haalbaar is binnen de tijd die je beschikbaar hebt.
  • Benadruk in de instructies dat het niet gaat om het testen van de deelnemers, maar om het verkrijgen van hun reacties, ideeën en meningen.

Houding en gedrag

  • Straal oprechte belangstelling uit.
  • Let op je spraak (volume, tempo, ritme, articulatie, toon), je houding, gebaren en kijkrichting, en je taalgebruik. Vermijd abstracte taal, stopwoordjes en jargon.
  • Zorg bij een bijeenkomst met meerdere deelnemers dat iedereen aan bod komt.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaars bijdragen (ervaringen, meningen en ideeën) te respecteren. En doe het zelf ook.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaar niet te onderbreken. En doe het zelf ook niet.
  • Het is niet erg om stiltes te laten vallen. Probeer in plaats van zelf de stilte op te vullen af te wachten waar deelnemers mee komen.

Gesprekstechnieken

Stijl

  • Stel korte en duidelijke vragen. Stel 1 vraag tegelijk.
  • Kies bewust voor het stellen van open of gesloten vragen. Bij gesloten vragen zijn de antwoordmogelijkheden vooraf gegeven, vooral bij ja/nee-vragen of multiple choice-vragen. Bij open vragen zijn alle antwoorden mogelijk. Bij gesloten vragen kun je sneller antwoord krijgen. Ook geven ze de deelnemers houvast, maar ze bieden weinig ruimte voor eigen inbreng. Open vragen kunnen veel tijd vergen. Ze bieden de deelnemers weinig houvast, maar ze bieden wél de mogelijkheid voor eigen inbreng.
  • Vraag “waarom?” om meer betekenisvolle resultaten te verkrijgen en de onderliggende bedoelingen te achterhalen.

Dubbelzinnige en suggestieve vragen

  • Vermijd vragen die meer betekenissen kunnen hebben. Je kunt deze dubbelzinnigheid wel bewust inzetten om te peilen hoe deelnemers spontaan een begrip of een beeld interpreteren.
  • Vermijd het stellen van suggestieve vragen, of het maken van suggestieve opmerkingen die deelnemers in een bepaalde richting duwen. Vermijd bijvoorbeeld om een oordeel te geven, of om bepaalde antwoordmogelijkheden uit te sluiten.

Evalueren van gegeven antwoorden

  • Houd het gesprek bij het juiste onderwerp, voorkom afdwalen.
  • Heb je alle informatie?
  • Is het relevant voor je onderzoeksdoel?
  • Begrijp je de bijdrage?
  • Past de bijdrage bij de gestelde vraag?

Technieken voor verduidelijking van antwoorden

  • Herhaal de vraag, of stel de vraag nogmaals op een andere manier. Gebruik bijvoorbeeld andere bewoordingen of ga van een open vraag over naar een gesloten vraag.
  • Vat het antwoord van de deelnemer samen om te checken of je het goed begrepen hebt.
  • Laat een stilte vallen om de deelnemer aan te zetten tot het geven van aanvullende informatie.

Evalueren met deelnemers en projectteam

Denk aan vragen voor de deelnemers én aan vragen voor het projectteam.

Evaluatievragen deelnemers

Het is belangrijk om deelnemers de mogelijkheid te geven hun ervaringen over deelname te delen. Dit geeft inzicht in wat goed ging en als prettig werd ervaren. Of wat de volgende keer anders of beter zou kunnen. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

  • Hoe vond je het om mee te doen?
  • Wat was goed/prettig?
  • Wat zou anders/beter kunnen?

Vraag hierbij door over de lengte/duur, mentale en/of fysieke inspanning, de vorm, de inhoud, en de locatie en setting van het onderzoek.

Evaluatievragen projectteam

Sta stil bij positieve en negatieve ervaringen met het toepassen van de methode en het werken met de doelgroep. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

Inhoud

  • Was de methode geschikt voor het doel dat je wilde bereiken? Waarom wel/niet?
  • Heeft het onderzoek de verwachte resultaten opgeleverd? Waarom wel/niet?

Doelgroep

  • Was de methode geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Was het duidelijk voor de doelgroep wat er van hen werd verwacht? Waarom wel/niet?
  • Was de duur van het onderzoek acceptabel voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sloot de gevraagde mentale en/of fysieke inspanning aan bij de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sprak de vorm van het onderzoek de doelgroep aan? Waarom wel/niet?
  • Was de setting (bij mensen thuis, via internet, op locatie etc.) waarin het onderzoek plaatsvond geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?

Proces

  • Was de methode geschikt voor de fase van je project? Waarom wel/niet?
  • Verliep het uitvoeren van de methode procesmatig goed? Waarom wel/niet?
  • Waren er activiteiten die onverwachts meer of minder tijd kostten dan verwacht? Waarom?

Algemeen

  • Stond de inspanning voor het uitvoeren in verhouding tot de verkregen resultaten? Waarom wel/niet?
  • Wat zou je volgende keer anders/beter doen?