Alle mensen kunnen in hun leven stressvolle situaties ervaren. Van een aantal ingrijpende levensgebeurtenissen is bekend dat deze vaak stress veroorzaken. Dit zijn bijvoorbeeld trouwen, een kind krijgen, echtscheiding, de dood van een geliefde, ontslag, pensioen, een ernstige verwonding of ziekte, schuldenproblematiek en gevangenschap.

Mensen kunnen in deze omstandigheden ervaren dat ze zaken die hen normaal gesproken gemakkelijk afgaan nu erg lastig vinden. Dit vermindert het ‘denkvermogen’ (informatie verzamelen en wegen, een plan maken) en het ‘doenvermogen’ (in actie komen, met tegenslag omgaan en volhouden). Bij doenvermogen spelen persoonlijke eigenschappen als temperament, vermogen tot zelfcontrole en overtuigingen een grote rol.

Mensen met psychische aandoeningen kunnen hier veel vaker of zelfs blijvend last van hebben. Het gaat hier vooral om mensen met stemmings-, angst- of middelenstoornissen. Angststoornissen komen als hoofdgroep het vaakst voor. Van alle afzonderlijke aandoeningen komt depressie het vaakst voor.

Bronnen: Holmes-Rahe Stress Inventory, Weten is nog geen doen (WRR-publicatie)

Vaardigheden

Categoriseren

Denken (redeneren)

  • Categoriseer elementen op basis van een uniek kenmerk (waar wordt het voor gebruikt) of een situationeel kenmerk (waar wordt het gebruikt). Zodat het betekenis heeft voor de gebruiker.
  • Menu-opties moeten tot dezelfde klasse behoren.
  • Gevolgen van keuzes moet duidelijk zijn voor de gebruiker.
  • Keuzemenu’s moeten een consistent formaat hebben. Bied bijvoorbeeld knoppen aan met plaatjes en korte teksten, voor elke categorie of commando.
  • Gebruik animaties om concepten die te maken hebben met tijd, processen, verhalen en oorzaak/effect-relaties over te brengen.
  • Elk scherm moet zoveel mogelijk dezelfde opbouw hebben.
  • Bied voldoende aanwijzingen en hulp als er iets onverwachts gebeurt.

Aanraders

  • Geef concrete voor­beelden bij abstracte informatie.
  • Plaats objecten en teksten die bij elkaar horen dicht bij elkaar.
  • Gebruik afbeeldingen om relaties tussen objecten te tonen.
  • Afbeeldingen moeten passen bij de wereld van de gebruiker. Let bij­voor­beeld op diversiteit in etniciteit, leeftijd, sociale status, zonder stereo­typen te gebruiken.
  • Maak het mogelijk voor de gebruiker om zelf data ruimtelijk te ordenen. Bij­voor­beeld samenbrengen van eerder gebruikte documenten.
  • Plaats de meest populaire opties of nieuw beschikbare opties in een menu bovenaan.
  • Maak gebruik van geneste categorieën, zodat de gebruiker steeds maar uit een beperkte lijst met opties hoeft te kiezen.
  • Gebruik visuele middelen, zoals grote iconen en kleurcodering, als een geheugensteuntje voor relaties tussen categorieën.
  • Maak een logisch verband tussen een vraag of instructie en de ant­woordmogelijkheden. Herhaal de vraag in de ant­woorden.
  • Plaats afbeeldingen in een natuurlijke, logische volgorde.
  • Help gebruikers om niet te verdwalen in hun proces. Gebruik een­voudige reminders.

Afraders

  • Gebruik geen alfabetische ordening van elementen. Die is nietszeggend voor laag­geletterden.
  • Let er op dat afbeeldingen niet kinderachtig zijn.
  • Forceer gebruikers niet om data in een voor­geschreven formaat (bij­voor­beeld een lijst) te ordenen.
  • Beperk het aantal opties in een menu.
  • Vermijd menu’s waar scrollen voor nodig is, omdat opties dan verborgen zijn.
  • Gebruik zo min mogelijk menu-hiërarchieën.
  • Vermijd onnodige stappen in een proces.
  • Als de gebruiker gegevens invoert, ververs dan niet de pagina (waardoor de locatie van het invoerveld verandert).

Aandacht en focus

  • Zorg ervoor dat het scherm een rustige uitstraling heeft.
  • Toon niet te veel informatie tegelijkertijd. Bied het alleen aan op het moment dat het relevant is.
  • Kies een titel (en eventueel een subtitel) die het onderwerp van de tekst weergeeft. Gebruik kopjes om de aandacht te vestigen op belangrijke punten en om de inhoud samen te vatten.
  • Gebruik visuele middelen om belangrijke delen van de informatie aan te duiden. Hierdoor kan de gebruiker de informatie ook beter onthouden.
  • Geef notificaties aan gebruikers over binnenkomende boodschappen: aankondigingen, alarmen, feedback over gebruikersacties, status van een proces en foutmeldingen. Deze moeten op natuurlijke wijze de aandacht trekken, zonder dat de gebruiker dit heeft hoeven aanleren.
  • Maak het heel vanzelfsprekend dat je input van de gebruiker verwacht. Bijvoorbeeld door animaties, knipperen, ontwerp van knoppen en invoervelden.

Aanraders

  • Gebruik veel witte ruimte en kleur om de aandacht te trekken.
  • Maak een goed onderbouwde keuze voor het gebruik van presentatie-modaliteiten.
  • Gebruik een enkele kolom voor de inhoud.
  • Is een boodschap urgent of is er directe actie nodig? Dan moet het systeem de aandacht trekken van de gebruiker, bij­voor­beeld door visuele effecten (flikkeren) of geluidssignalen.
  • Gebruik bij een complexe boodschap een tekstveld. Overweeg om die automatisch voor te laten lezen (spraaksynthese).
  • Gebruik voor een­voudige, korte berichten bij voor­keur een audio-notificatie. Audio is minder af­leidend en onderbreekt niet de gebruikersacties.
  • Maak de afstand tussen gerelateerde teksten en objecten zo klein mogelijk. Plaats bij­voor­beeld tekst op knoppen en vragen dicht bij de ant­woordopties.
  • Toon de resultaten van gebruikersacties in het aandachtsgebied van de gebruiker (bij­voor­beeld direct rechts van of beneden het invoerveld).

Afraders

  • Gebruik geen af­leidende functies, tekst of afbeeldingen.
  • Vermijd lange lijsten door informatie in kaders samen te brengen.
  • Vermijd advertenties, pop-ups of links naar andere pagina’s.
  • Realiseer je dat multimodale informatie niet altijd beter begrepen wordt.
  • Vermijd achtergrondgeluid en plaatjes die af­leiden. Gebruik ze wel als je de aandacht van de gebruiker wil vangen.
  • Verdeel de tekst die bij elkaar hoort niet over verschillende schermen.

Problemen oplossen

  • Probeer om fouten te vermijden. Zorg ervoor dat incorrecte invoer onmogelijk wordt gemaakt.
  • Voorkom fouten, laat het systeem begeleiding en hulp geven. Leg de fout duidelijk uit en begeleid de gebruiker bij wat vervolgens te doen.
  • Als een fout niet hersteld kan worden, laat dan zien wat de consequentie is.

Aanraders

  • Waarschuw gebruikers als een actie­serieuze consequenties kan hebben, zoals het verwijderen van een bestand.
  • Bied altijd een ‘undo’-functie aan om een fout te herstellen.
  • Geef een­voudige, duidelijke instructies om invoer van gebruikers te corrigeren.
  • Plaats foutmeldingen bij het relevante veld.
  • Geef regelmatig een tussentijds overzicht, zodat fouten in een vroeg stadium geïdentificeerd en gecorrigeerd kunnen worden.

Afraders

  • Voor­kom dat gebruikers terug moeten gaan om een fout te herstellen.

Self-efficacy (zelfredzaamheid)

  • Het systeem moet altijd geruststellende en bemoedigende feedback geven.
  • Geef notificaties aan gebruikers over binnenkomende boodschappen: aankondigingen, alarmen, feedback over gebruikersacties, status van een proces en foutmeldingen. Deze moeten op natuurlijke wijze de aandacht trekken, zonder dat de gebruiker dit heeft hoeven aanleren.
  • Bied hulp en documentatie aan: kort, makkelijk doorzoekbaar en in begrijpelijke taal geschreven.

Aanraders

  • Maak een duidelijk ondersc­heid tussen normale meldingen en foutmeldingen.
  • Laat het verschil zien tussen fouten door de gebruiker en van het systeem.
  • Bied automatische ondersteuning, zoals automatische tekstcorrectie en -suggesties, of aanvullingen van woorden.
  • Geef de gebruiker voldoende tijd om tekst in te voeren en te corrigeren.
  • Maak het mogelijk om naar een andere pagina te navigeren zonder ingevoerde data te verliezen. Via een terugknop of via de browser.
  • Feedback moet helpen om het systeem conceptueel te begrijpen, en de mogelijk­heid bieden om dingen uit te proberen zonder nadelige gevolgen.

Afraders

  • Maak instructies niet moeilijk en lang. Gebruik geen moeilijke woorden.

Tips

Omgaan met deelnemers

Bij ontwerpen voor inclusie betrek je vertegenwoordigers van de doelgroep, samen met andere stakeholders. Zowel bij het ontwerpen als bij het (tussentijds) evalueren. De omgang met deelnemers is daarbij van groot belang. Dat uit zich in het proces en de setting, je houding en gedrag en de gebruikte gesprekstechnieken.

Proces en setting

  • Houd rekening met de context van het onderzoek, zoals plaats, tijd van de dag en de aanwezige personen.
  • Zorg voor een open en uitnodigende sfeer, waarbij deelnemers zich op hun gemak voelen.
  • Plan tijd in voor een korte kennismaking. Kies hiervoor een geschikte vorm.
  • Denk indien van toepassing na over de opstelling. Houd bijvoorbeeld bij een interview een 90-graden-opstelling aan ten opzichte van de deelnemer. En plaats deelnemers bij een focusgroep in een cirkel waar je zelf deel van uitmaakt.
  • Zorg voor een drankje en wat lekkers.
  • Maak duidelijk wat de rol van de aanwezige onderzoekers is. Benoem of de onderzoeker actief is (bijvoorbeeld als interviewer of facilitator), of passief deelneemt (bijvoorbeeld als observator of notulist). Zorg ervoor dat ieder in zijn rol blijft.
  • Informeer deelnemers over hoe de resultaten worden vastgelegd (notities, beeld- en geluidsopnamen). Houd er rekening mee dat deelnemers bezorgd kunnen zijn over de verspreiding van resultaten. Benadruk dat je zorgvuldig met de gegevens omgaat.
  • Bedank deelnemers voor hun inzet en zorg eventueel voor een attentie of beloning.
  • Zet duidelijke doelen. Wees realistisch over wat haalbaar is binnen de tijd die je beschikbaar hebt.
  • Benadruk in de instructies dat het niet gaat om het testen van de deelnemers, maar om het verkrijgen van hun reacties, ideeën en meningen.

Houding en gedrag

  • Straal oprechte belangstelling uit.
  • Let op je spraak (volume, tempo, ritme, articulatie, toon), je houding, gebaren en kijkrichting, en je taalgebruik. Vermijd abstracte taal, stopwoordjes en jargon.
  • Zorg bij een bijeenkomst met meerdere deelnemers dat iedereen aan bod komt.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaars bijdragen (ervaringen, meningen en ideeën) te respecteren. En doe het zelf ook.
  • Wijs de deelnemers erop om elkaar niet te onderbreken. En doe het zelf ook niet.
  • Het is niet erg om stiltes te laten vallen. Probeer in plaats van zelf de stilte op te vullen af te wachten waar deelnemers mee komen.

Gesprekstechnieken

Stijl

  • Stel korte en duidelijke vragen. Stel 1 vraag tegelijk.
  • Kies bewust voor het stellen van open of gesloten vragen. Bij gesloten vragen zijn de antwoordmogelijkheden vooraf gegeven, vooral bij ja/nee-vragen of multiple choice-vragen. Bij open vragen zijn alle antwoorden mogelijk. Bij gesloten vragen kun je sneller antwoord krijgen. Ook geven ze de deelnemers houvast, maar ze bieden weinig ruimte voor eigen inbreng. Open vragen kunnen veel tijd vergen. Ze bieden de deelnemers weinig houvast, maar ze bieden wél de mogelijkheid voor eigen inbreng.
  • Vraag “waarom?” om meer betekenisvolle resultaten te verkrijgen en de onderliggende bedoelingen te achterhalen.

Dubbelzinnige en suggestieve vragen

  • Vermijd vragen die meer betekenissen kunnen hebben. Je kunt deze dubbelzinnigheid wel bewust inzetten om te peilen hoe deelnemers spontaan een begrip of een beeld interpreteren.
  • Vermijd het stellen van suggestieve vragen, of het maken van suggestieve opmerkingen die deelnemers in een bepaalde richting duwen. Vermijd bijvoorbeeld om een oordeel te geven, of om bepaalde antwoordmogelijkheden uit te sluiten.

Evalueren van gegeven antwoorden

  • Houd het gesprek bij het juiste onderwerp, voorkom afdwalen.
  • Heb je alle informatie?
  • Is het relevant voor je onderzoeksdoel?
  • Begrijp je de bijdrage?
  • Past de bijdrage bij de gestelde vraag?

Technieken voor verduidelijking van antwoorden

  • Herhaal de vraag, of stel de vraag nogmaals op een andere manier. Gebruik bijvoorbeeld andere bewoordingen of ga van een open vraag over naar een gesloten vraag.
  • Vat het antwoord van de deelnemer samen om te checken of je het goed begrepen hebt.
  • Laat een stilte vallen om de deelnemer aan te zetten tot het geven van aanvullende informatie.

Maken van notities

Notities zijn vaak een aanvulling op andere vormen van vastleggen van informatie. Bedenk vooraf wat je wilt vastleggen. En hoe. Bedenk of je een notitiestructuur wilt hanteren of dat je dit open wilt laten. Geef iemand specifiek de rol van notulist, zeker als er meerdere deelnemers zijn.

Structureren van notities

  • Algemene aspecten: de setting, de sfeer, verloop, houding van deelnemers.
  • Chronologisch.
  • Per deelnemer.
  • Per categorie (benoem alvast specifieke aspecten waar je op wilt letten: topic list), denk bijvoorbeeld aan observaties of uitspraken van de deelnemers over:
    • acties en handelingen (zoals informatie, communicatie, mobiliteit, algemene dagelijkse levensverrichtingen, werk, vrije tijd);
    • de omgeving (zoals binnen, buiten, thuis, werk);
    • relevante objecten (zoals technologie, gebruiksvoorwerpen);
    • zichzelf en anderen (zoals behoeften, waarden, rollen, relaties).

Aandachtspunten

  • Ga uit van je onderzoeksdoel.
  • Laat je niet leiden door je verwachtingen, maar sta open voor wat er gebeurt.
  • Algemene aspecten kunnen van belang zijn voor de interpretatie van wat er gebeurt.
  • Let op verbale en non-verbale uitingen en handelingen van deelnemers.
  • Bedenk of je gebeurtenissen wilt turven of alleen wilt aangeven of een gebeurtenis optreedt.
  • Maak notities van opvallende uitspraken van deelnemers (quotes).
  • Geef je indruk van het waarom van bepaalde uitingen of handelingen.
  • Realiseer je dat notities subjectief zijn. Check ze met andere onderzoekers, of laat meerdere onderzoekers notities maken.

Evalueren met deelnemers en projectteam

Denk aan vragen voor de deelnemers én aan vragen voor het projectteam.

Evaluatievragen deelnemers

Het is belangrijk om deelnemers de mogelijkheid te geven hun ervaringen over deelname te delen. Dit geeft inzicht in wat goed ging en als prettig werd ervaren. Of wat de volgende keer anders of beter zou kunnen. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

  • Hoe vond je het om mee te doen?
  • Wat was goed/prettig?
  • Wat zou anders/beter kunnen?

Vraag hierbij door over de lengte/duur, mentale en/of fysieke inspanning, de vorm, de inhoud, en de locatie en setting van het onderzoek.

Evaluatievragen projectteam

Sta stil bij positieve en negatieve ervaringen met het toepassen van de methode en het werken met de doelgroep. Je kunt hiervoor de volgende vragen gebruiken:

Inhoud

  • Was de methode geschikt voor het doel dat je wilde bereiken? Waarom wel/niet?
  • Heeft het onderzoek de verwachte resultaten opgeleverd? Waarom wel/niet?

Doelgroep

  • Was de methode geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Was het duidelijk voor de doelgroep wat er van hen werd verwacht? Waarom wel/niet?
  • Was de duur van het onderzoek acceptabel voor de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sloot de gevraagde mentale en/of fysieke inspanning aan bij de doelgroep? Waarom wel/niet?
  • Sprak de vorm van het onderzoek de doelgroep aan? Waarom wel/niet?
  • Was de setting (bij mensen thuis, via internet, op locatie etc.) waarin het onderzoek plaatsvond geschikt voor de doelgroep? Waarom wel/niet?

Proces

  • Was de methode geschikt voor de fase van je project? Waarom wel/niet?
  • Verliep het uitvoeren van de methode procesmatig goed? Waarom wel/niet?
  • Waren er activiteiten die onverwachts meer of minder tijd kostten dan verwacht? Waarom?

Algemeen

  • Stond de inspanning voor het uitvoeren in verhouding tot de verkregen resultaten? Waarom wel/niet?
  • Wat zou je volgende keer anders/beter doen?